Geschiedenis van het Prinsenhof*

Op de vogelvluchtkaart van de stad Groningen van Egbert van Haubois uit 1637 is de tuin van de Prinsenhof al aangegeven.

Naar deze afbeelding is een reconstructieplan opgesteld door architect E.A. Canneman dat werd uitgevoerd van 1935 tot 1938. In R. van Dellen's 'Van Prefectenhof tot Prinsenhof' staan allerlei wetenswaardigheden over deze tuin. Zo blijkt dat er in 1641, tijdens de regeerperiode van Frederik hendrik, reeds sprake is van een 'Princenhoff'. Vr die tijd -we spreken dan van begin 1400- was op deze plaats sprake van 'stadsmuren, stadwech ende wateringhe'. Aan de stadsmuur grende toen het Fraterhuis van het Broederschap des Gemeenen Levens. Later, circa 1570, dienden het enkele jaren als bisschoppelijk paleis. Na 1594 was het residentie van van de stadhouders van Oranje Nassau. Door afbraak van de oude vestingwal, tijdens de uitleg van de stad in de eerste kwart van de zeventiende eeuw, kon op verzoek van de stadhouder Ernst Casimir een 'gaerde' aangelegd worden. De stadsbouwmeester Garwer Peters kreeg opdacht een plan voor een nieuwe tuin te ontwerpen. Dt ontwerp is waarschijnlijk zichtbaar op de kaart van Haubois. In de gevel achter de grote kastanje is een poortje (onder een ovaal raam) dat vanuit het Prinsenhof toegang gaf tot de tuin.

Het ontwerp zoals dat is weergegeven op de kaart van Haubois, is echter al in het derde kwart van de 17e eeuw ingrijpend veranderd. Pas in 1935 wordt de 'Haubois-tuin' opnieuw aangelegd! Uit bestekken blijkt dat de tuin rond 1700 geheel veranderd is. Genoemd worden de loofgangen -ook wel berceaux genoemd- en een volierre. In de tuin kwam toen leibomen, klimop, (stok)rozen, bakken met bomen (waarschijnlijk ornajeboompjes), bollen en plantgewassen voor. Verder werden 'looden beelden en vazen' toegepast. De paden werden bedekt met 'zuyver zeeschil of zeeschulpen'. Prieeltjes en een groot achtkantig zomerhuis completeerden deze gaarde.

In 1730 werd de zonnewijzer op de poort vernieuwd door de heren N. Dorenbusch en M. Cremer. De Latijnse tekst, die boven de zon in boogvorm staat afgebeeld, luidt vertaald: 'De verleden tijd is niets, de komende onzeker onzeker, de tegenwoordige onstandvastig, zorg dat gij dezen, die alleen de Uwe is, niet verkwist'. In 1738 is op order van de Staten van de Provincie een nieuw zomerbouw gesticht om 'Haare Hoogheden het vermaak te geven, van over de Stadsvestingen hunne oogen te verlustigen in de gezigten van het aangename groene land en omliggende dorpen'. Volgens Van Dellen is het waarschijnlijk dat de tuinaanleg vanaf de tijd van de stadhouders (eind 17e eeuw) tot circa 1821 grotendeels is gehandhaafd.

In het eerste kwart van de 19e eeuw treedt het grote verval in. Alle berceaux en prieeltjes worden afgebroken, zodat er een groot 'plein' ontstaat. Hoewel er in 1838 weer van een tuin gesproken kan worden, devalueert deze al snel tot een algemene gebruiksruimte. In de tuin is voor 1907 een lijkenhuis en een landweermagazijn, in 1916 is er sprake van een marechauseestal met open rijbaan en tenslotte is de tuin gebruikt als opslagplaats voor brandstoffen en bouwmaterialen. In het derde decennium van de vorige eeuw keert het tij: voorgoed waarschijnlijk.

* Bron: Stadfolder1, De Tuin van het Prinsenhof, Groningen, Edward Houting BNO, 1996

terug