Ingmar Heytze en Ellen Deckwitz doken voor ons in de archieven van negentien jaar Dichters in de Prinsentuin. Tijdens de openingsavond presenteren ze twintig gedichten die volgens hen tot de mooiste behoren die in onze festivalbloemlezingen het licht zagen. Daaruit zullen ze vrijdagavond 14 juli een ruime selectie voordragen en ze ontdekten zelfs een eenentwintigste gedicht dat onopgemerkt was gebleven. Wie het JUBILEUMmagazine leest zal opmerken dat sommige optredens onvergetelijk waren, maar dat geldt dus ook voor de gedichten die Heytze en Deckwitz zullen presenteren.

De twintig beste gedichten werden geschreven door

Arjan Witte – Osirisgezang om regen te maken (2005)

 

De slang legt zijn huid af
Judas hield van Jezus
Hitler was een schilder
Elvis werd messias

Bevroren regenboog smeltend aan de hemel
druipend op het gras
dieren als druppels
een bloem in vlinders, bomen en automodellen

En mensen, wier gedachten verdampen

Mark Boog – Bestemming (2007)

Je bent ver weg, maar niet onbereikbaar.
Ik moet, om het uitdijend heelal,
voortdurend mijn bereik vergroten,

maar ook neemt de eenzaamheid toe, de rust –
er gebeurt niets of er is wel iets goed aan,
er valt geen appel die niet uiteindelijk

verteerd wordt, door mens, vogel, worm, zon,
tijd, nieuws. De vrije wil laat ieder zijn
bestemming kiezen, maar het blijft er maar één:

bestemming. Jij.

Wim Brands – [zonder titel] (2008)

Ik prijs de oude Chinezen die me een paar

woorden nalieten. Een grap zonder clou,
een stomme vraag,

regels op papier dat nu wordt bijeengehouden
door niet veel meer dan inkt.

Ze wisten dat hun wereld en andere
zouden verdwijnen in manden
op de rivier.

Ze vierden dat, blij dat ze ons allen
hadden gered.

(vrij naar Philip Whalen)

David Troch – netjes geschikt in vierkante kavels (2009)

 

dit was mijn speeltuin: het mysterie
van de muur waarachter een voorbij
wandelend kind droomde van dollen
in het bos dat een oerwoud was. Wat

was dat geluid, hoorde ik denken, en
of je angst moest voelen of toch maar
een soort verlangen. misschien is die
man dat kind dat een boomhut wou,

niet de geveinsde gezelligheid van een
opdringerig huis. zie ons beide zoeken
naar iets van vroeger in de straat, iets
waardoor we wat minder mismoedig

aan de slag beginnen. Ik kan me niet
inbeelden dat een man, dat een kind
mij hier zo meteen uit de weg wenst.
een pauw loopt niemand in de weg.

K. Schippers – Vulpen, groen gevlamd (2010)

gekregen in ’86
dop vervangen in ’91
houder vervangen in ’93
clip vervangen in ’98
op opnieuw vervangen in ’02
gouden pen vervangen in ’07
met deze pen geschreven in ’09

alles anders
alles hetzelfde

Rik Andreae – Van glas (2011)

 

Op het verdriet na, is alles van glas.
Als mensen zwanen waren, dan konden

ze wel dansen van hup, hup, hup en hup.
Er is een andere manier om naar de dag

te kijken, om niet te vergaan en daarbij
geen dromen op te lopen. Je moet voor

iemand sterven, je moet verder, je moet
dat wat je opraapt in je hand houden.

Jan Baeke – Ik heb hem bedacht (2011)

De letters in het huis dat hij bouwde
waren erg groot.
Dat er huis stond was niet goed te lezen
maar de schaduwen waren lang en koel.
De letters waren bomen voor de hond.

Met de kleine letters die hij buiten vond
schreef hij zichzelf de brieven
waarin stond hoe vissen te houden
hoe een kampvuur te maken
welke boeken niet te lezen
hoe om mensen heen te lopen en
waarom voor de bomen in huis de juiste
namen te reserveren. Tot slot
hoe tot het tellen door te dringen.

Ik voel hoe de sneeuw in de aarde zakt.
We staan in de tuin en zingen
we hebben tijd.

Ik noem alle hele uren en hij schrijft ze op.
In volgorde komen zo de hond het huis
de letters en mijn zoon voorbij.

Dennis Gaens – Lotte (2011)

Lotte drinkt kraanwater uit maatbekers.
Ze ziet er makkelijk uit, maar in dat hoofd
is het een hel.

Je moet haar toevallig tegenkomen, want
aan afspraken doet ze niet. Ze slaat geen
telefoonnummers op. Ze zegt: “Die dingen
liggen moeilijker dan je denkt.” Ze heeft
een goed geheugen.

Wat het is: ze raakt mensen liever niet aan.

Jan Glas – Onze slaapkamer (2011)

Dan is onze slaapkamer een hotelkamer
en jij bent de nachtportier en dringt met een sleutel
m’n kamer binnen, om me te verkrachten.
Ik lig te slapen. Jij bent een neger.

Op de gang ligt vale, rode vloerbedekking.
De deuren hebben goudkleurige nummers. De steile,
halfronde trap is (vind ik) een gevaarlijke trap.
Meteen links in de kleine lobby heb je de balie

en de display met folders. De deur
naar buiten. Het is na elf uur ’s avonds nog steeds
tropisch warm en druk op straat.
Auto’s claxoneren aan één stuk door.

Dit kabaal zal ik de hele nacht horen.
Jij gaat nu eerst de kamer uit. En denk erom, je bent
een neger. Ik doe het licht uit. En mocht ik mij
verzetten, pak me dan maar hard aan.

Jan Glas – De zoon en de zee (2012)

 

Nog steeds denkt men vaak dat ik een meisje ben.
Een lief, verlegen meisje.
Ik hoef daar niets voor te doen.
Mannen willen mij behouden.
Er was een rozenkweker. Hij legde mij in zijn bed.

Hij belde z’n moeder: ik heb nu een meisje, zei hij.
Iedere dag ging hij naar de kassen.
Nooit nam hij rozen voor mij mee; alles was voor de export.
Ik wild met hem naar de zee.
Hij nam een dag vrij en ging mee.

Er zijn moeders die hun zonen niet leren zwemmen.
Ik droeg de rozenkweker de branding in,
en gaf hem mee  met de zee.
De kassen liet ik vrij. Ik belde de moeder
en vertelde over haar zoon en de zee.

Uit: Als was zij mijn vrouw,
verschenen in oktober 2012 bij Uitgeverij kleine Uil

Mariet Lems – Schuurpapier (2012)

Dit is het schuurtje van mijn man
ik sta er buiten, luister, hoor geschuifel
doffe dreunen, een zacht tikken, zwaar
gebrom, gemompel of een vloek

soms
fluit hij een liedje dat van vroeger is
maar vaker is het heel lang stil

dan roep ik bangig of hij koffie wil

laatst vroeg ik of er schuurtjes zijn
voor vrouwen
zwaaiend met de hamer zei hij:
alles daar
is al van jou

de schuurdeur dreunde
in het slot

ik dacht
mijn god
en schaafde
bloed
bloedrode bietjes

Anneleen van Offel – Godin (2012)

Natuurlijk hadden wij gezien hoe
ze met haar tanden het licht brak
en de scherven nonchalant onder haar
oogleden weg knipperde. Het doet er niet

toe dachten we, ons hoor je niet klagen
wat is een mens nu met licht ge kunt daar
geen soep van koken he meneer. Zo gaat dat
nu eenmaal met godinnen, dat is ook niet perfect

een luchtverplaatsing meer of minder om
van illusies maar te zwijgen. Het is niet hetzelfde meer
als vroeger meneer toen dromen nog in netten te vangen waren

en goden en godinnen en heel de bazaar nog op bergen
en god nee we wisten niet meer of we wisten niet beter dan
dat ge blind wordt door in de zon te staren.

Bernadette Stom – Op de tast (2012)

Ik ben getrouwd met een gestoorde vrouw. Een gewone dag
doet ons geen goed. Vroeg of laat is elke liefde hoogverraad.
Ze is zo hinderlijk van vlees en bloed
wanneer ze ademt als ze lacht. Ze drijft me in het nauw.
In mijn hoofd zou alles kloppen als ze niet bestond.

Ik droomde dat ze twee geslachten had. Een op haar kruin.
Met mijn vingers zocht ik wat ze dacht. Ik schrok
van wat ik vond. Dus laat de rolluiken nu neer
vergeet dit ziek verbond en hou me vast.

Menno Wigman – Tot de bodem (2012)

Een kroeg bezoeken en naar glazen grijpen,
je geest, een luchtballon, van zandzakken bevrijden,
steeds hoger stijgen en blijmoedig verder hijsen,
de hoogste tijd, een nieuwe kroeg, je geld, je jas,
zo dweil je door de koude voorjaarsnacht en pist,
je bent een man of niet, schuimkringen in de gracht.

Ik las dat de politie bij elk waterlijk
(het gaat om meer dan vijftig doden in drie jaar)
sinds kort meteen naar open gulpen kijkt.
Hoe drank een vloek over de grachten verft.
Hoe water ’s nachts naar mensen grijpt.

Een flits van speelgoed, stranden, tuinen en tv.
Naar kades klauwen, in je kreten stikken, rond
die luchtbel, rond je hoofd, een engel die niet komt,
o de gestorven zomers in je mond.

Geschreven naar aanleiding van een bericht dat er in de
grachten van Amsterdam de laatste drie jaar ten minste 51
mensen om het leven zijn gekomen.
Gedicht is uiteindelijk terecht gekomen in de bundel Slordig met geluk (2016 Prometheus)

Kira Wuck – [*] (2012)

Het begon allemaal op zo’n avond dat ik vergat
wiens handen zich op mijn buik probeerden te nestelen
alsof jij iets aan het opgraven was

Ik wist alleen dat je een architect was
die ruimtes ontwierp waar je niet kunt zitten

Ruimtes waar je wel mag zijn maar niet mag slapen
dat houdt de mens actief

je zei: ik zie jou overal
ook op de plekken waar je niet komt

Verleiden deed je met een zalmtaart
en ik vroeg of je huisdieren had

Later stuurde je me de rekening van die keer
toen we zonder licht reden
de straten krom trokken van de kou

We naar elkaar verlangden maar
jij niet wilde en ik niet durfde

Jelmer van Lenteren – Mislukte makelaar (2013)

 

Ik ben een mens en zet mezelf te koop.
De advertentie luidt: ‘Ruim lichaam,
staat vaak vrij, heeft tijdens zijn verloop
wat onvoorziene schade opgedaan.’ Maar,

u steekt zich in decennia van schulden
voor een stulp met riolering die vaak stokt.
Met een interieur dat door het roken
is doorleefd. Met in- en uitgangen waaraan
een luchtje kleeft. Aan alle kanten uitzicht
op een blinde muur. En huur? Niet mogelijk.

De eigenaar wil ervan af. Het spookt er.
Er dwaalt een geest rond die voor straf
in deze woning werd gestopt. Het staat er vol
met blikken blinde woede. Lekvrij, opgekropt.

Gerda Blees – Aanwijzing (2014)

 

Melkwegen, overal melkwegen
en nergens een bord met this way out
mijn ouders zeiden tegen me huil niet embarrassingly loud
als je weer eens door een man of twee – blijf überhaupt
ver uit de buurt van vloeibaarheid
laat je volwassen vormen liever bevriezen
neem de vastgestelde tijden voor de stukken van je leven
slaap als het nacht is en nooit in de open lucht en zorg ervoor
niet meer dan zeven maar wel minstens drie keer op een dag te eten.
Denk niet aan alle lichaamsdelen
waar je een potlood in zou kunnen steken en hoe diep
er zijn bepaalde snelwegen en zenuwbanen die je beter niet –
je moet een ingenieur nemen die weet dingen waar je iets aan hebt
hoe auto-onderdelen en de elementen heten ga niet zomaar
met je hoofd op tafel liggen mors geen rode wijn
blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten
de dwaallichten en maak je zinnen af.

Tjitske Jansen – [*] (2014) 

“Jezelf zijn, ik heb gehoord dat dat belangrijk is, maar ik heb geen idee wat het is.
Hoe doe je dat?” vroeg ik de dominee. “Als je een kraan vol opendraait en je bent
met al je aandacht bij het opendraaien van die kraan, dan ben je jezelf,” zei hij.

Ik begreep het niet – wat had het opendraaien van een kraan met mij te maken?
Ik rende naar huis en ging het uitproberen. Vol overgave draaide ik een kraan vol open.
En weer dicht. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een kraan opendraaide

en weer dicht, met het doel mezelf te zijn. Ik vroeg me of af je verschil kon zien
tussen iemand die de kraan opendraait om haar handen te wassen en iemand
die dat doet om te weten wie ze is.

Moniek Spaans – Waagstuk (2015)

 

eigenlijk had u ingenieur moeten worden
maar u bent een luipaard
zei de ijscoman.

je t’aime
maar uw schaduw is te lang
fluisterde de valkenier.

ik zie ik zie wat jij niet ziet
en het is paars
riep de gek.

u zit op een goudmijn
verzekerde de architect
u hebt het werkelijk in de vingers.

ik staarde naar het wegennet in mijn handen.

kijk me aan
beval de magiër
ik schets u de uitgeklede versie.

ik barstte in tranen uit
alles wat ik zag
was een slordig weggemoffeld gat in een afgebladderde muur

waaruit een bleek gezwel van purschuim puilde.

niets is wat het lijkt
zei de goochelaar
ik zaag u graag in tweeën.

De organisatie van Dichters in de Prinsentuin – * (2015)

Helaas staat er geen gedicht van F. van Dixhoorn in deze bloemlezing. F. van Dixhoorn werkt op het moment van schrijven aan een nieuwe tekst die (nog) niet gereed is voor publicatie. De tekst is ook niet geschikt om deels te publiceren.

Ester Naomi Perquin – Nabeeld (2016)

 

In de wagen kraakt de reis, in het lopen blijft het paard,
in de haren nog het aaien, iedere schooltas vol
opgegeten bananen, in zout stuift
het strand, in oren de zee.

In de fiets rammelt de afstand naar huis, in elke afstand
rammelt een fiets. In handen legosteentjes, brood
en auto’s. In God een handvol plastic kralen,
in elke dag een naald en draad.

In leven glanst de soap, gevolgd door de herhaling,
hoog opgestapeld, even bovenaan. In de armen
het dragen, in het dragen de naam.

Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,
Treft men bij de sectie vaak nog
hele stukken oerwoud aan.

 

De twintig gedichten komen uit bloemlezingen die verschenen tussen 2005 en 2016. De bloemlezingen konden destijds verschijnen dankzij steun van tijdschrift Krakatau en uitgeverij 2 + 2 = 5, het Prins Bernhard Cultuurfonds, Uitgeverij Passage en bovenal Uitgeverij kleine Uil die de bloemlezingen vanaf 2007 tot 2016 uitgaf.